AOV wel of niet

Wanneer een werknemer ziek is, dan wordt bij ziekte het loon door de werkgever doorbetaald. Duurt het ziekteverzuim langer dan twee jaar, dan volgt meestal ontslag en komt men in het WIA-circus terecht bij het UWV. Dat geldt niet voor de zzp-er, DGA, vennoten, maten en vrije beroepsbeoefenaren.

Als een ondernemer geen of onvoldoende financiële middelen achter de hand heeft om het verlies aan inkomen als gevolg van ziekte en/of ongeval op te vangen, dan doet men er verstandig aan een regeling te treffen. Een regeling waarbij dat risico zoveel als nodig afgedekt wordt. Als je die reserves wel hebt, is het verstandig om bij jezelf te rade te gaan of je dat helemaal of gedeeltelijk wilt aanspreken als je arbeidsongeschikt raakt.

Dat risico afdekken kan op verschillende manieren. Eén daarvan is het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV). Andere opties kunnen zijn de vrijwillige voortzetting van de Ziektewet of aansluiting zoeken bij een broodfonds.

Te hoge premie voor een AOV?

Een veelgehoorde klacht over de AOV gaat over de hoogte van de premie. Daarnaast kent iedereen de verhalen over de verzekeraar die niet uitkeert als het erop aankomt. Men zegt dan vaak, dat de verzekeraar gebruik maakt van de kleine lettertjes in de polis. Veel ondernemers zien daarom af van zo’n verzekering. Is dat argument wel terecht?

Het klopt, dat de premie in bepaalde gevallen best hoog is. Daar staat tegenover dat sommige beroepen nu eenmaal grotere arbeidsongeschiktheidsrisico’s met zich meebrengen dan andere. Beroepen waarbij het herstel langer duurt dan bij andere werkzaamheden. Een metselaar met knieklachten heeft doorgaans méér hersteltijd nodig dan iemand met een zittend beroep. Met staand werken worden knieën immers zwaarder belast.

Sta ook eens stil bij het volgende.
Wanneer iemand volledig arbeidsongeschikt raakt, dan kan er voor de verzekeraar een grote financiële last ontstaan. Voorbeeld: Joop is timmerman. Hij heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten op basis van beroepsarbeidsongeschiktheid, een eindleeftijd van 67 jaar en een verzekerd bedrag van € 35.000. Stel dat deze timmerman op zijn 37e een verkeersongeval krijgt en als gevolg van een dwarslaesie in een rolstoel terecht komt. Als die situatie niet verbetert, zal de verzekeraar zolang Joop leeft maar tot uiterlijk zijn 67e elk jaar het verzekerde bedrag moeten uitkeren. Dat is in totaal € 1.050.000,-. De man zal nog hoogstens één jaar premie betalen; daarna niet meer. Dit is toch heel ander risico dan wat een hypotheekverstrekker loopt. Daar staat immers een onderpand tegenover.

Onthoud dit: iedereen is uniek. Elke ondernemer heeft zijn eigen persoonlijke en financiële situatie. Elke ondernemer krijgt zijn eigen oplossing.

Vraag een vrijblijvend oriëntatiegesprek aan.

Ja, maak de kleine lettertjes groot